IntraTypische Taaltip #1: Engelse werkwoorden

We updaten, upgraden en focussen maar raak tegenwoordig. Leuk hoor, die Engelse leenwoorden, helemaal ‘hip & happening’- maar soms lastig om uit het Engels geleende werkwoorden in het Nederlands te vervoegen. Ik help je op weg met een aantal basisregels en voorbeelden!

D of T?

’t Kofschip. Laat ik daarmee beginnen. Voor velen waarschijnlijk een bekend ezelsbruggetje – net als ’t (sexy) fokschaap – maar hoe zat het ook alweer? Ieder werkwoord heeft een stam. Op welke letter of klank deze stam eindigt, bepaalt of de vervoeging van het werkwoord in de verleden tijd een -d of een -t krijgt. Als voorbeeld nemen we het werkwoord ‘lachen’. De stam is ‘lach’. Je krijgt dan, in de tegenwoordige tijd: ik lach, jij/hij/zij/het lacht, wij/jullie/zij lachen.

Maar is het nu: hij lachde of hij lachte? De ‘ch’-klank is onderdeel van ’t kofschip, dus wordt het ‘lachte(n)’.

Vervoeging Engelse werkwoorden

Hetzelfde principe kunnen we doorvoeren bij de geleende Engelse werkwoorden – maar let op: leidend hierbij is de eindklank van de werkwoordsstam, en die is niet altijd hetzelfde als de laatste letter van de stam. Begint het geleende werkwoord daarnaast met een klinker, en kan daardoor de Nederlandse uitspraak worden beïnvloed, dan krijgt deze klinker in het voltooid deelwoord een trema. Een paar voorbeelden:

Bij het laatste voorbeeld heeft de dubbele klinker aan het eind geen toegevoegde waarde voor de Nederlandse uitspraak, dus wordt deze weggelaten.

Twijfel je hierna nog steeds aan de juiste spelling voor (geleende) werkwoorden? Ik help je graag uit de brand! Neem gerust contact op en laat mij je tekst tot in de puntjes verzorgen of boek een online schrijfconsult (nieuw!). En heb je een andere, brandende vraag over taal of schrijven, laat het mij dan ook weten: wie weet beantwoord ik die dan de volgende keer.

Tot de volgende taaltip!

Laat een reactie achter

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: